← Back

Neurowetenschapper & filosoof in dialoog


Reductionisme in de neurowetenschappen

 

Jeroen Geurts, hoogleraar Translationele Neurowetenschappen aan het VU medisch centrum, en Leon de Bruin, cognitiefilosoof en universitair docent aan de Radboud Universiteit Nijmegen, in gesprek over het onderwerp reductionisme in de neurowetenschappen.

Jeroen: Ik erger me aan het overmatige reductionisme van de neurowetenschappen. Het lijkt wel alsof onze studenten maar één ding leren: ziekten en complex menselijk gedrag terugbrengen naar simpele modellen en liefst naar genen en moleculen. Daarmee ga je aan het belangrijkste punt voorbij: complex gedrag is ‘complex’! We hebben andere modellen nodig naast het reductionisme. We moeten nodig onze horizon verbreden…

Leon: Zijn alle vormen van reductionisme fout? Op zich is er toch niets mis met het willen begrijpen van complex gedrag met behulp van een simpel model? Of gaat het je erom dat het model op een gegeven moment een eigen leven gaat leiden en het onderscheid tussen model en werkelijkheid vervaagd? John Searle heeft ooit eens gezegd: Ze kunnen misschien wel een regenbui simuleren op een computer, maar nat zullen ze er niet van worden.

Jeroen: Mooie quote van Searle! Ja, ik bedoel reductionisme als model, als dogma. Reductionisme als methode (mits goed gekozen, passend bij de vraag en op het juiste moment ingezet) is natuurlijk prima! Dat is gewoon een ‘tool’ uit de box. Het gaat mis als men denkt dat er maar één tool in die box zit…

Leon: Ja, precies. Als een hamer je enige gereedschap is, ziet ieder probleem eruit als een spijker. Ik denk dat veel filosofen en wetenschappers reductionisme een aantrekkelijk uitgangspunt vinden, omdat het wetenschappelijke unificatie belooft. Dat we uiteindelijk alles kunnen verklaren met één ultieme theorie. Wat heb jij deze filosofen en wetenschappers als alternatief te bieden?

Jeroen: Unificatie is natuurlijk een zeer aantrekkelijk idee. Het was een invloedrijk onderzoeksprogramma enkele decennia geleden: biologie wordt gereduceerd tot chemie, chemie tot natuurkunde en natuurkunde tot wiskunde. Om van de hogere naar de diepere ‘laag’ te gaan moesten er simpelweg brugwetten worden geformuleerd. Om biologie uit te drukken in chemische processen moet je zus en zo als recept hanteren. Dit mislukte. Er blijken allerlei fenomenen op het ‘hogere’ niveau te spelen die op lager niveau geen equivalent hebben. We kunnen de wiskunde van ons bewustzijn niet zonder aanzienlijke aannames concipiëren. In de neurowetenschappelijke praktijk zijn de diermodellen ook zo’n reductionistische misser: we modelleren een ziekte en lossen die vervolgens op. Dan concluderen we dat de ziekte behandeld is. Maar we hebben slechts onze versimpelde conceptie van de menselijke aandoening behandeld. De ziekte MS is in het diermodel al twaalf keer opgelost, maar ondertussen snappen we nog steeds niet veel meer van het ontstaan of de behandeling van deze aandoening bij mensen. Wat heb ik te bieden als alternatief? Een mechanistische verklaring. Misschien minder nog: een mechanistische beschrijving. Misschien nóg minder: een morfologische beschrijving, soms in de tijd. Krijgen we daar zekerheid uit? Nee. Wel ideeën. Ideeën over vorm en dynamiek. Op onderdelen kunnen die nieuwe ideeën dan verder onderzocht worden. In diermodellen, of andere modellen. Dat is dan een reductionistische stap. Maar al te vaak vergeten we hoe belangrijk het is eerst te beschrijven wat we zien. En te toetsen of we allemaal hetzelfde zien. En of dat, als het niet zo is, afhangt van iets meer dan simpelweg het verschil tussen mensen die observeren. Bias onderzoeken. Samenhang onderzoeken. Dat soort. We maken in de neurowetenschap dezelfde fout als de logisch positivisten met hun unificatiedrang wanneer we reductionisme als wetenschappelijk model nastreven. Laten we nastreven, als er al één model moet zijn, om de standaard bij de vormbeschrijving te leggen.